Spellènko
Spellènko
Vinkenstraat 94b
9713 TL Groningen
kvk 01136310
email:
De spelregels van SHOOT!
SHOOT! is een kaartspel voor twee spelers. Het spel wordt gespeeld met 55 speelkaarten. Deze set kaarten bestaat uit 30 spelerskaarten, 2 keeperkaarten, 2 opstellingskaarten, 20 actiekaarten en 1 kaart met de spelregels.Elke speler heeft een team. Het team bestaat uit 15 spelers en 1 keeper.
In de rechterbovenhoek van de spelerskaarten staan één tot drie voetballen. Dit is de waarde van de speler voor zijn linie. De waarde van de keeper wordt per actie bepaald door het gooien van een dobbelsteen.
De 20 actiekaarten worden door beide spelers gebruikt.
Voorbereiding op het spel:
Elke speler schudt zijn 15 spelerskaarten en legt de stapel gesloten links voor zich neer. De keeperkaart wordt open met de dobbelsteen erop recht voor zich neergelegd. De opstellingskaart wordt open naast de keeperkaart neergelegd.
1) Kies een team:
Gooi een dobbelsteen. Wie het hoogste gooit mag kiezen of hij met FC Groningen gaat spelen.
2) Schud de spelerskaarten:
Elke speler schudt zijn 15 spelerskaarten en legt de stapel gesloten links voor zich neer.
3) Geef elke speler 6 actiekaarten:
Schud de actiekaarten en geef elke speler 6 kaarten. Bekijk je eigen actiekaarten. Met sommige kaarten kun je de tegenstander zwakker maken en met andere kaarten kun je eigen linies sterker maken.
4) Bepaal je opstelling:
Nu je weet wat je actiekaarten zijn kun je bepalen met welke opstelling je de meeste kans maakt om te winnen.
Kies nu je opstelling en maak die duidelijk door de dobbelsteen op de opstellingskaart te leggen. Het cijfer van de dobbelsteen wat omhoog ligt is het nummer van de opstelling die je kiest.
Hou je hand boven de dobbelsteen tot je tegenstander ook heeft de opstelling heeft gekozen en laat het dan aan elkaar zien.
De mogelijke opstellingen zijn:
- 1) 4 - 4 - 2
- 2) 5 - 4 - 1
- 3) 3 - 5 - 2
- 4) 5 - 3 - 2
- 5) 4 - 5 - 1
- 6) 3 - 4 - 3
Pak de bovenste kaart de spelerstapel en leg die voor je neer. Beide spelers leggen eerst hun verdediging neer, hierna het middenveld en als laatste de aanval.
Voorbeeld:
Jan heeft voor opstelling drie gekozen. De eerste drie spelerskaarten die hij opendraait zijn zijn verdedigers. Hij legt deze kaarten naast elkaar voor zich neer. De volgende vijf kaarten vormen zijn middenveld en de laatste twee kaarten zijn zijn aanval.
6) Speel de actiekaarten:
De speler met het amateurteam bepaalt of hij als eerste een actiekaart op tafel legt of dat de andere speler moet beginnen.
De speler die begint legt een actiekaart open op tafel. De kaart kan een versterking zijn voor het eigen team, strafpunten voor het team voor de andere speler of bijzondere actie geven. Als er een rode P op de kaart staat betekent dit dat de andere speler met een Protest kaart deze kaart ongedaan kan maken.
Een Blessurekaart wordt door een Medische Hulpkaart ongedaan gemaakt.
Als een actiekaart niet door een andere kaart ongedaan wordt gemaakt wordt deze kaart naast de linie gelegd waar die effect heeft of wordt de actie uitgevoerd.
Voorbeeld:
Jan legt als eerste kaart een Rode Kaart neer.
Peter speelt een protestkaart uit. De Rode Kaart wordt verwijderd en de actie niet uitgevoerd.
Jan legt nu een Vrije Trap open. Peter heeft geen Protestkaart mee. Jan legt de kaart nu naast zijn middenveld. Deze linie heeft nu twee punten meer.
Peter is nu aan de beurt. Hij legt een Blessurekaart open.
Jan heeft de kaart Medische Hulp en legt die neer. De blessurekaart wordt uit het spel gehaald en de actie niet uitgevoerd.
Nu is Peter weer. Hij legt de kaart Schot Op de Goal neer. Peter legt de kaart naast zijn aanvallers en heeft nu 3 punten meer in zijn aanval.
Elke speler heeft nu 3 actiekaarten uitgespeeld. Jan is aan de beurt en legt zijn volgende kaart neer.
7) Tel de punten per linie op:
In elke linie worden nu de voetballen die op de spelerskaarten staan en de actiekaarten bij elkaar opgeteld. Dit is de sterkte van de linie.
Om te bepalen welk team in een linie hetzelfde is worden de sterktes van de bijpassende linies van elkaar afgetrokken.
D.w.z. het getal van de verdediging wordt vergeleken met de uitkomst van de aanvalslinie van de tegenstander en de getallen van de twee middenvelden met elkaar. De uitkomsten van deze rekensommen geven het aantal schoten op doel aan in deze wedstrijd.
Voorbeeld:
Pieter heeft 8 punten in de verdediging, 9 in het middenveld en 3 in de aanval.
Mariska heeft 5 in de verdediging, 10 in het middenveld en 7 in de aanval.
De verdediging van Pieter en de aanval van Mariska worden van elkaar afgetrokken (8 - 7 = 1) De verdediging van Pieter is net wat sterker dan de aanval van Mariska. Dit levert Pieter één kans op.
Nu worden beide middenvelden met elkaar vergeleken (10 - 9 = 1) Het middenveld van Mariska is net wat sterker. Dit levert haar één kans op.
Als laatste wordt de aanval van Pieter afgetrokken van de verdediging van Mariska (5 - 3 = 2). Dit levert Mariska twee schoten op vanuit haar verdediging.
8) Bepaal het aantal schoten op het goal:
Als alle linies van elkaar zijn afgetrokken is bekend hoe vaak er op het goal geschoten kan worden.
Voorbeeld:
Nu alle linies zijn geteld wordt duidelijk dat Peter één keer op het goal van Mariska mag schieten vanuit zijn verdediging en dat Mariska drie keer op het goal van Peter mag schieten. Twee keer vanaf het middenveld en één keer vanuit haar verdediging.
9) Schieten op het goal:
Nu de uitkomsten van de linies bekend zijn pakken de spelers hun dobbelsteen.
Voor elke kans gooit de speler van wie die kans is zijn dobbelsteen. De andere speler (de verdedigende speler) gooit daarna om te zien of zijn keeper de bal tegen houdt.
Gooit de speler die op het doel schiet meer ogen dan de keeper van de tegenstander dan gaat de bal het goal in.
Maar omdat het veel lastiger is om vanuit een verdedigende linie te scoren mag de andere speler voor elk schot op zijn twee punten optellen bij zijn dobbelsteen score. Als het schot van een middenvelder afkomstig is wordt er één punt bij de dobbelsteenworp van de verdedigende speler opgeteld.
Bij het schot van een spits wordt er niets opgeteld.
Voorbeeld:
Nasir heeft twee schoten op het doel. Eentje vanuit de spits en eentje vanuit zijn middenveld. Als eerste wil hij het proberen met de kans van de spits. Nasir gooit een 5 en Hans een 4. GOAL. Het staat nu 0 - 1 voor Nasir.
Nu gooit hij voor zijn middenvelder. Nasi gooit een 5 en Hans gooit een 4. Omdat er vanuit het middenveld wordt geschoten mag Hans 1 punt optellen bij zijn dobbelsteenworp. Nu hebben ze alle twee een vijf. En dat is niet genoeg.
Het blijft 0 - 1.
Nu heeft Hans nog twee kansen vanuit zijn verdediging. Zijn eerste worp is een 6. Nasir gooit een 3. Hij mag twee punten bij deze worp optellen omdat er vanuit de verdediging wordt geschoten maar daarmee komt ze op een totaal van 5. Dat is niet genoeg.
Het staat 1 - 1.
Pieter heeft zijn laatste kans. Hij gooit een 5. Als Nasir nu een 3 of hoger gooit blijft het gelijk maar met een 1 of 2 wint Hans de wedstrijd. Nasir gooit en het wordt een 4. Met de twee punten erbij omdat Hans uit zijn verdediging schiet komt Nasir uit op 6 punten. NAAST.
10) Bepalen van de winnaar en klaarmaken voor het volgende potje:
Tel de doelpunten bij elkaar op en je weet wie het spelletje gewonnen heeft. Snel alles weer klaar leggen voor een volgend spelletje.